Conclusie

Resultaten

In de literatuurstudie in dit onderzoek zijn vier mechanismen gevonden die theoretische verklaring bieden voor leengedrag in leenteams op Kiva.org. Dat zijn verzoek om liefdadigheid, reputatie, psychologische kosten en baten en doeltreffendheid. Op basis van deze literatuurstudie is de eerste hypothese dat leden van Kiva.org meer/vaker lenen als zij lid worden van een team/lid worden van meer teams. Deze hypothese is getoetst door het effect van teamlidmaatschap op leengedrag te meten. Uit de analyses blijkt dat teamlidmaatschap geen significante invloed heeft op leenfrequentie. Teamlidmaatschap heeft wel een significante invloed op leenbedrag. Het effect van teamlidmaatschap op leengedrag is een positieve verandering in de leenbedragen, die teamleden per dag lenen, naarmate het aantal teamlidmaatschappen toeneemt.
Het mechanisme van doeltreffendheid omvat het leiderschapseffect, dat verklarend kan zijn voor de relatie tussen teamlidmaatschap en leengedrag. Dit effect beschrijft een te verwachten toename van donaties wanneer mensen andere mensen of een persoon met status een donatie zien doen. Dit effect is toetsbaar gevonden met de beschikbare data. De tweede hypothese die daarom is getoetst, is dat iemand vaker/meer geld leent wanneer hij een persoon met status een donatie ziet doen. Op basis van verdere literatuurstudie is bepaald dat aangenomen kan worden dat teamleden tot 24 uur na een leenactie van de teamleider, zijnde de persoon met status, als geconditioneerd kunnen worden beschouwd. De hypothese is getoetst door het effect van conditionering op leengedrag te meten. Uit de analyses blijkt dat conditionering geen significant effect heeft op leenfrequentie of leenbedrag. Er is geen effect van leningverstrekking door een groepsleider op het leengedrag van leden van het team. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het leiderschapseffect geen verklaring biedt voor de gevonden relatie tussen teamlidmaatschap en leengedrag.

Discussie

De veronderstelling die volgt uit de literatuurstudie, dat verschillende mechanismen verklarend kunnen zijn voor een verband tussen teamlidmaatschappen en leengedrag, wijst op de noodzaak voor onderzoek. In onderzoek zouden de effecten van de verschillende mechanismen, bij voorkeur in combinatie met elkaar, moeten worden getoetst. Uit dit onderzoek blijkt dat toetsing van verklarende mechanismen van belang is bij onderzoek naar filantropisch gedrag. Ten eerste omdat zonder verklarende mechanismen, weinig betekenis kan worden gegeven aan het verband tussen teamlidmaatschappen en leengedrag. Ten tweede omdat de resultaten van dit onderzoek, in navolging van Bekkers en Wiepking (2011), impliceren dat niet alle mechanismen altijd van toepassing zijn.

De absentie van een effect van teamlidmaatschap op leenfrequentie geeft reden om aan te nemen dat een eventueel effect door mechanisme (b), verzoek om liefdadigheid, zich hooguit uitdrukt in een toename van leenbedrag. Omdat dit betekent dat een leningverstrekker meer geld leent aan een onveranderd aantal leendoelen, moet bij een effect van dit mechanisme verondersteld worden dat verschillende verzoeken om liefdadigheid zich óf toespitsen op een aantal leendoelen dat kleiner is dan het aantal verzoeken, óf los staan van een leendoel (alleen in het algemeen oproepen tot liefdadigheid). Alleen zo kan een leningverstrekker met alleen een verhoging van leenbedrag gehoor geven aan meer verzoeken om liefdadigheid. Wanneer het aantal leendoelen, waaraan verzocht wordt te lenen, gelijk zou stijgen met het aantal verzoeken, zou een leningverstrekker hier alleen effectief op kunnen reageren door zijn of haar leenfrequentie te verhogen. De resultaten impliceren dat van deze laatste situatie geen sprake is, omdat er geen verandering blijkt in leenfrequentie als gevolg van teamlidmaatschappen.
Voor mechanisme (e), reputatie, geldt ook dat de resultaten reden geven om aan te nemen dat een eventueel effect door dit mechanisme zich hooguit uitdrukt in een toename van leenbedrag, omdat er geen effect bestaat van teamlidmaatschap op leenfrequentie. Het verwachtte effect van dit mechanisme werd uitgelegd als een gevolg van de potentiële erkenning die een leningverstrekker ontvangt van mede-teamleden wanneer zijn of haar leenactie wordt uitgelicht op de teampagina. Omdat bij de uitgelichte leenactie, om privacy redenen, niet het leenbedrag wordt vermeld, is het voor een leningverstrekker rationeel om de leenfrequentie te verhogen om zijn of haar reputatie te maximaliseren; de leningverstrekker wordt dan vaker uitgelicht op de team-pagina. De resultaten van dit onderzoek impliceren daarom dat leningverstrekkers niet lenen om hun reputatie te maximaliseren.
Ook voor mechanisme (f), psychologische kosten en baten, geldt dat de resultaten reden geven om aan te nemen dat een eventueel effect door dit mechanisme zich hooguit uitdrukt in een toename van leenbedrag, omdat er geen effect bestaat van teamlidmaatschap op leenfrequentie. De sociale consequenties van leenactiviteit, die onder dit mechanisme geschaard worden, zijn onafhankelijk van leenbedrag, dat om privacy redenen verborgen is (net als bij mechanisme (e)). Om te beantwoorden aan sociale druk is daarom alleen een verhoging van leenfrequentie effectief. De resultaten impliceren daarom dat er geen sprake is van een effect van sociale druk. De persoonlijke psychologische ervaringen, die onder dit mechanismen geschaard worden, kunnen wel van toepassing zijn op de resultaten. Omdat een verhoging van leenbedrag wel waarneembaar is voor de leningverstrekker zelf, kan een toename van leenbedrag leiden tot vermindering van schuldgevoelens, een goed gevoel geven omdat er gehandeld wordt in lijn met sociale normen of een goed gevoel geven omdat gehandeld wordt in lijn met een specifiek (prosociaal, altruïstisch) zelfbeeld.

Het leiderschapseffect, dat geschaard wordt onder mechanisme (h) doeltreffendheid, kan in dit onderzoek niet worden vastgesteld. Dat betekent niet dat er geen leiderschapseffect bestaat. De beperking van het leiderschapseffect tot uitsluitend enkelvoudige effecten heeft er misschien toe geleid dat een zichtbaar leiderschapseffect uit is gebleven in de resultaten. Het is theoretisch mogelijk dat een leiderschapseffect pas zichtbaar wordt als het effect, dat individuele leiders hebben, gebundeld wordt in een cumulatief leiderschapseffect. Daarom is het aan te bevelen een analysemethode te ontwikkelen waarbij wel een cumulatief leiderschapseffect kan worden gemeten. Alle mechanismen in beschouwing genomen, bieden vooralsnog mechanisme (b), verzoek om liefdadigheid, en persoonlijke psychologische ervaringen, geschaard onder mechanisme (f), de beste verklaring voor de resultaten van dit onderzoek.

Het gevonden effect van teamlidmaatschappen op het bedrag dat leningverstrekkers lenen bevestigt de resultaten van Liu et al. (2012). Bovendien bevestigt het bestaan van een relatie tussen sociale structuren en filantropisch gedrag, dat veronderstelt wordt door de ASA (2012). Het uitblijven van een effect van teamlidmaatschap op leenfrequentie spreekt de resultaten van Liu et al. (2012) tegen, zij vinden wel een effect van teamlidmaatschap op leenfrequentie.

Reflecterend blijkt de combinatie van sociologie en internettechnologie een sterke combinatie bij het beantwoorden van sociologische vraagstukken. De webapplicatie van Kiva.org herbergt een rijkheid aan gedigitaliseerde gedragingen van mensen. Met de toenemende socialisering van het internet zijn deze gedragingen vaker in een sociale context te plaatsen. Met oog op de toenemende socialisering van het internet en om andere strategische redenen heeft Kiva.org bovendien delen van hun webapplicatie(s) opengesteld via een API. Via deze API kunnen datasets worden gecompileerd waarop onderzoek kan worden verricht. Deze datasets hebben de voorkeur boven data gegenereerd uit experimentele onderzoeksdesigns, omdat ze grotere ecologische validiteit hebben. De API van Kiva is in deze context slechts een voorbeeld, er zijn nog meer APIs beschikbaar die dergelijke data herbergen. Ondanks dat de data uit de API al gedigitaliseerd en goed gedocumenteerd zijn, moet rekening worden gehouden met complexe bewerkingen om de data in een geschikt formaat te krijgen voor onderzoek. De API van Kiva.org is gericht op gebruik van de data in lijn met de werking van de webapplicatie, niet op gebruik voor onderzoek. Hierbij is ook de privacy van de respondenten een punt dat telkens in overweging moet worden genomen. In dit onderzoek moest over de grens worden gegaan van wat de API kon bieden: sommige data waren enkel in de webapplicatie publiekelijk beschikbaar, niet in de API. Door een ontwikkelaar van Kiva is ter discussie gesteld of het afleiden van de leenbedragen, zoals in dit onderzoek is gedaan, een privacy schending betreft die de API niet zou moeten toestaan. Verder biedt de API van Kiva.org als het leenacties betreft alleen actuele data. Daarom moest voor longitudinale data voor een langere periode voortdurend de API worden bevraagd en de respons worden opgeslagen. Wanneer hierbij gegevens worden vergeten, zijn deze in sommige gevallen niet met terugwerkende kracht beschikbaar. Als gevolg van deze complicaties bleek het proces om van een API tot geschikte datasets te komen het meest tijdrovende onderdeel van deze scriptie. ‘Linear mixed model’ analyse blijkt een geschikte methode voor analyse van de data uit de API van Kiva.org. De mogelijkheden die de analysemethode biedt om rekening te houden met ongebalanceerde datasets en –ontwerpen bieden een goede basis om het begrip van de gedragingen van de leningverstrekkers op Kiva.org te vergroten, omdat progressief complexere modellen kunnen worden berekend, waarbij rekening kan worden gehouden met geneste variabelen. SPSS is echter wellicht niet de meest geschikte statistische processor voor deze methode. In veel gevallen konden complexe modellen niet berekend worden die misschien door statistische processoren waaraan andere onderzoekers de voorkeur blijken te geven, zoals SAS/STAT, wel kunnen worden berekend.

Het onderzoek van Liu et al. (2012), waardoor deze scriptie in het bijzonder is geïnspireerd, is vooral een exploratief onderzoek naar tekstclassificatie. Toch blijft het een opvallend gemis dat de verklaringen voor de gevonden relaties, die gegeven worden in het onderzoek, beperkt blijven tot theoretische implicaties. Daarom  is in dit onderzoek gekozen om in de literatuurstudie nadruk te leggen op verklarende mechanismen. Dit heeft er toe geleid dat naast de eerste onderzoeksvraag, betreffende het effect van teamlidmaatschap op leengedrag, een tweede onderzoeksvraag is gesteld, gericht op een verklaring voor dit effect. Deze keuze was wellicht te ambitieus, maar komt de betekenis die aan statistische relaties kan worden gegeven ten goede. De poging om in deze zin een compleet onderzoek neer te zetten heeft er onwillekeurig toe geleid dat op delen van de scriptie bezuinigd moest worden omwille van de tijd. Dit is voornamelijk zichtbaar in de doortastendheid waarmee het mechanisme leiderschapseffect is onderzocht; er zijn beperkingen gesteld aan de operationalisering van conditionering die een cumulatief leiderschapseffect buitensluiten.

Tot slot zijn er enkele aanbevelingen die volgen uit dit onderzoek. Ten eerste is voortzetting aanbevolen van de analyse van filantropie in sociale contexten. De effecten van de andere verklarende mechanismen die in deze studie zijn aangedragen kunnen met verder onderzoek wellicht bepaald worden. Ultiem worden bij voorkeur alle mechanismen onderzocht die theoretisch toepasbaar zijn. Ten tweede dient de benadering van het ‘modelling effect’, en specifieker het leiderschapseffect, verder geproblematiseerd te worden. Er zijn nog geen duidelijke theoretische gronden om de veronderstelling van conditionering, in verschillende situaties, op te baseren. In de praktijk blijken bovendien vaak potentieel tegenstrijdige leiderschapseffecten te bestaan waarvoor onduidelijk is hoe deze zich met elkaar verhouden.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *