Resultaten

Ten eerste worden de resultaten van de analyses van het algemene effect van teamlidmaatschappen op leengedrag besproken. De ‘likelihood ratio tests’ voor de covariantiestructuren worden besproken. De resultaten van de ‘likelihood ratio tests’ voor de modelparameters worden vervolgens uiteengezet, waarna de effecten van de parameters besproken worden. Ten tweede worden de resultaten van de tweede set analyses besproken, betreffende het effect van het leengedrag van teamleiders op het leengedrag van teamleden. Hierbij worden de resultaten van de ‘likelihood ratio tests’ voor de modelparameters uiteengezet en de effecten van de parameters besproken.

Het effect van teamlidmaatschappen op leengedrag

Analyse van het effect van teamlidmaatschappen op leenfrequentie
Analyse 1.1 betreft de analyse van het effect van teamlidmaatschap op leenfrequentie. De resultaten die hiervoor worden besproken zijn uiteengezet in tabel 1. Voor deze analyse zijn twee covariantiestructuren overwogen. Modellen met een heterogeen autoregressieve covariantiestructuur (ARH1) leveren consequent een betere ‘fit’ op dan modellen waarin homogene relaties tussen opeenvolgende observaties van dezelfde onderzoekseenheid worden verondersteld (AR1). Te zien in tabel 2 aan de consequent lagere waarden die genoteerd staan voor de -2 log likelihood voor de modellen met ARH1 als covariantiestructuur.

Tabel 1: Resultaten analyse 1.1, Effect van teamlidmaatschappen op leenfrequentie

Model 1

Model 2

Model 3

Model 4

Model 5

Model 6

Intercept

1.465*** (.018)

1.383*** (.020)

1.387***
(.035)

1.288***
(.042)

1.398***
(.055)

1.402***
(.082)

Teamlidmaatschap

-.002

(.001)

-.002

(.001)

.011***
(.003)

.012***
(.003)

-.012*
(.005)

Tijd

.000
(.000)

.001*
(.000)

-.004*
(.002)

-0.004

(.002)

Tijd * Teamlidmaatschap

-.000***
(.000)

-.000***
(.000)

-.000
(.000)

Tijd * Tijd

.49**
(.16)

.51*
(.20)

Tijd * Tijd * Teamlidmaatschap

.000
(.01)

N rijen

3162

3162

3162

3162

3162

3162

N subjecten

1556

1556

1556

1556

1556

-2 Restricted Log Likelihood (AR1)

8868.943

8725.008

8721.628

8732.070

8729.239

8748.345

-2 Restricted Log Likelihood (ARH1)

8868.943

[1066.451***]

7802.492
[-13.410***]

7815.902
[-1.384]

7817.286
[-11.052***]

7828.338
[-24.998***]

7853.336

Notitie: Standaard fouten tussen ronde haakjes. Devianties opeenvolgende modellen tussen vierkante haakjes.Uitkomsten vermenigvuldigd met 10.000

* p < .05, ** p < .01, *** p < .001

In de opeenvolgende modellen blijkt, op basis van de -2 log likelihood, dat alleen verwijdering van teamlidmaatschap als verklarende variabele resulteert in een significante verslechtering van de verklarende kracht van de modellen, te zien aan de significant positieve deviantie van Model 1 met 1066.451 (p < 0.001). De toevoeging van verklarende variabelen die controleren voor een effect van tijd op leenfrequentie levert significant slechtere ‘fits’ op voor de alternatieve modellen. Op basis van deze gegevens kan worden aangenomen dat de parameters die worden toegevoegd in de modellen 3 tot en met 6 kunnen worden weggelaten zonder verklarende kracht te verliezen. De effecten van deze parameters worden daarom niet geïnterpreteerd. Model 2 levert de beste ‘fit’ voor het effect van teamlidmaatschap op leenfrequentie. Dit blijkt vooral te komen door de toepassing van de heterogeen autoregressieve covariantiestructuur; de nulhypothese, dat het effect van teamlidmaatschap op leenfrequentie gelijk is aan 0, moet worden aangenomen (p = .115). Het effect van teamlidmaatschap op leenfrequentie is niet significant. Daarmee wordt de alternatieve hypothese, dat teamlidmaatschap invloed heeft op leenfrequentie, verworpen.

Analyse van het effect van teamlidmaatschappen op leenbedrag
Analyse 1.2 betreft de analyse van het effect van teamlidmaatschap op leenbedrag. De resultaten die hiervoor worden besproken zijn uiteengezet in tabel 2. Voor deze analyse zijn wederom twee covariantiestructuren overwogen. Modellen met een heterogeen autoregressieve covariantiestructuur (ARH1) leveren consequent een betere ‘fit’ op dan modellen waarin homogene relaties tussen opeenvolgende observaties van dezelfde onderzoekseenheid worden verondersteld (AR1). Te zien in Tabel 3 aan de consequent lagere waarden die genoteerd staan voor de -2 log likelihood voor de modellen met ARH1 als covariantiestructuur.

Tabel 2: Resultaten analyse 1.2, Effect van teamlidmaatschappen op leenbedrag

 
 

Model 1

Model 2

Model 3

Model 4

Model 5

Model 6

Intercept

1.891***

(.020)

1.823***
(.029)

2.071***
(.053)

1.937***
(.060)

2.072***
(.082)

2.033***
(.090)

Teamlidmaatschap  

.017***
(.003)

.017***
(.003)

.049***
(.007)

.049**
(.007)

.058***
(.011)

Tijd

-.004***
(.001)

-.002*
(.001)

-.009**
(.003)

-.007*
(.003)

Tijd * Teamlidmaatschap

-.000***

(.000)

-.001***
(.000)

-.001*
(.000)

Tijd * Tijd

.58*

(.24)

.43
(.28)

Tijd * Tijd * Teamlidmaatschap

.04
(.03)

N rijen

3162

3162

3162

3162

3162

3162

N subjecten

1556

1556

1556

1556

1556

-2 Restricted Log Likelihood (AR1)

9832.052

9413.198

9399.304

9399.272

9413.549

9436.633

-2 Restricted Log Likelihood (ARH1) 9832.052
[438.939]
9393.113
[18.004***]
9375.109
[5.608*]
9369.501
[-13.599***]
9383.100
[-22.375***]

9405.475

Notitie: Standaard fouten tussen ronde haakjes. Devianties opeenvolgende modellen tussen vierkante haakjes.

Uitkomsten vermenigvuldigd met 10.000

* p < .05, ** p < .01, *** p < .001

Uit de analyse van de significantie van verklarende variabelen, door vergelijking met de -2 log likelihood van geneste modellen, blijkt dat de ‘fit’ van de modellen significant verslechtert na verwijdering van de interactievariabele en de variabelen waaruit dit interactie-effect is opgebouwd. Dit wordt geconcludeerd uit de significant positieve deviantie van Model 3 ten opzichte van model 4, waarin het interactie-effect is toegevoegd, van 5.608 (p < 0.05), de significant positieve deviantie van model 2 ten opzicht van model 3, waarin de variabele tijd is toegevoegd, van 18.004 (p < 0.001) en de significant positieve deviantie van model 1 ten opzichte van model 2, waarin teamlidmaatschap en de covariantiestructuur is toegevoegd, van 438.939 (p < 0.001).

De toevoeging van verklarende variabelen die controleren voor een exponentieel verband van tijd en de interactie van deze variabele met de toename van het aantal leenteamlidmaatschappen, levert significant slechtere ‘fits’ op voor de alternatieve modellen. Op basis van deze resultaten kan worden aangenomen dat de parameters die worden toegevoegd in de modellen 5 en 6 weggelaten kunnen worden zonder verklarende kracht te verliezen. De effecten van deze parameters worden daarom niet geïnterpreteerd.

Model 4 levert de beste ‘fit’ voor de verklaring van de variantie in leenbedragen. Het effect van teamlidmaatschap is in dit model significant, geschat op 0.049 (p = .000). Dit kan worden geïnterpreteerd als een toename van 4.9% in leenbedrag bij elk extra leenteamlidmaatschap dat een leningverstrekker aangaat. Dit effect gaat samen met een significant effect van tijd en het interactie effect daarvan met teamlidmaatschap. Door het effect van tijd neemt leenbedrag per dag met 0.19% (p = .022) af. Het interactie-effect beschrijft dat de verandering in leenbedrag als gevolg van een extra teamlidmaatschap significant afneemt naarmate de tijd verstrijkt, naar schatting met 0.05% (p = .000) per dag.

Het leiderschapseffect

Analyse van het effect van teamleiders op de leenfrequentie van teamleden
Analyse 2.1 betreft de analyse van het leiderschapseffect op leenfrequentie. Voor deze analyse wordt geen alternatieve covariantiestructuur overwogen. In tabel 3 zijn de resultaten van analyse 2.1 uiteengezet. Uit de analyse van de significantie van verklarende variabelen, door vergelijking van de  -2 log likelihood met geneste modellen, blijkt dat de ‘fit’ van de modellen met elke toegevoegde variabele verslechtert. Hieruit wordt duidelijke dat geen van de onafhankelijke variabelen verklarende kracht heeft met betrekking tot de leenfrequentie van teamleden. De nulhypothese dat conditionering door een teamleider geen effect heeft op leenfrequentie van teamleden moet worden aangenomen op basis van de likelihood ratio test. Daaruit blijkt dat het toevoegen van de parameters die nodig zijn om dit effect te analyseren leidt tot een significant positieve deviantie, van model 1 ten opzichte van model 2, van model 2 ten opzichte van 3 en model 3 ten opzichte van 4. Respectievelijk zijn de devianties 7.604 (p < 0.5), 11.967 (p < .01) en 19.03 (p < .01).

Tabel 3: Resultaten analyse 2.1, Effect van teamleiders op leenfrequentie

 
 

Model 1

Model 2

Model 3

Model 4

Model 5

Model 6

Intercept

1.113***
(.001)

1.116***

(.001)

1.116***
(.001)

1.116***
(.001)

1.113***
(.002)

1.114***
(.002)

Tijd  

-.000***

(.000)

-.000***

(.000)

-.000**
(.000)

.000*
(.000)

.000
(.000)

Conditionering    

-.000
(.001)

-.000
(.002)

-.001
(.002)

-.003
(.003)

Tijd * Conditionering  

.000
(.000)

.000
(.000)

.000
(.000)

Tijd * Tijd  

-.02***
(.01)

-.01
(.01)

Tijd * Tijd * Conditionering  

.-01
(.01)

N rijen 35184 35184 35184 35184 35184

35184

N subjecten   17592 17592 17592 17592

17592

-2 Restricted Log Likelihood (AR1) -66380.336

[-7.604**]

-66372.732
[-11.967***]
-66360.764
[-19.03***]
-66341.734
[-16.585***]
-66324.876
[-24.867***]
-66300.009
Notitie: Standaard fouten tussen ronde haakjes. Devianties opeenvolgende modellen tussen vierkante haakjes.

Uitkomsten vermenigvuldigd met 10.000

* p < .05, ** p < .01, *** p < 0.001

Analyse van het effect van teamleiders op het leenbedrag van teamleden
Analyse 2.2 betreft de analyse van het leiderschapseffect op leenbedrag. Voor deze analyse wordt, net als bij analyse 2.1, geen alternatieve covariantiestructuur overwogen. De resultaten die hier worden besproken zijn uiteengezet in tabel 4. De likelihood ratio tests laten consequent een verslechtering van de ‘fit’ van de modellen zien na de toevoeging van de covariantiestructuur en tijd als onafhankelijke variabele. De nulhypothese, dat de verdere parameters telkens geen betere verklaring bieden voor de variantie in leenbedrag, moet voor de rest van de parameters worden aangenomen. Daarmee moet de alternatieve hypothese, dat conditionering door leengedrag van teamleiders effect heeft op het leengedrag van teamleden, worden verworpen. Specifiek omdat model 2 ten opzichte van model 3 een significant betere ‘fit’ vertoont met een deviantie van -8.001 (p < .05); conditionering biedt geen verklaring voor verandering in leenbedrag. Het effect van tijd op leenbedrag in het model met de beste fit, model 2, is tot slot significant negatief, -.0003 (p =.000). Hier komt terug dat in de loop van de tijd het leenbedrag van teamleden enigszins daalt.

Tabel 4: Resultaten analyse 2.2, Effect van teamleiders op leenbedrag

 
 

Model 1

Model 2

Model 3

Model 4

Model 5

Model 6

Intercept 1.177***
(.002)
1.194***
(.005)
1.196***
(.005)
1.197***
(.006)
1.173***
(.008)
1.178***

(.010)

Tijd   -.000***
(.000)
-.000***
(.000)
-.000***
(.000)
.001***
(.000)
.001*
(.000)
Conditionering     -.004
(.005)
-.006
(.009)
-.009
(.009)
-.018
(.014)
Tijd * Conditionering       .000
(.000)
.000
(.000)
.001
(.001)
Tijd * Tijd         -.12***
(.03)
-.10**
(.04)
Tijd * Tijd * Conditionering           -.05
(.05)
N rijen 35184 35184 35184 35184 35184 35184
N subjecten   17592 17592 17592 17592 17592
-2 Restricted Log Likelihood (AR1)

40380.063

[0.7604]

40379.299
[-8.001*]

40387.300
[-16.017***]

40403.317
[-1.725]

40405.042
[-21.701***]

40426.743

Notitie: Standaard fouten tussen ronde haakjes. Devianties opeenvolgende modellen tussen vierkante haakjes.

Uitkomsten vermenigvuldigd met 10.000

* p < .05, ** p < .01, *** p < 0.001

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *